Thuistezien 81 — 14.06.2019

Kunst en Crisis XI
Something about somewhere and everywhere
Meta Knol
(English translation by Baruch Gottlieb available shortly)


I.

Het was een ontzagwekkend schouwspel, om de boeren met hun luidruchtig brullende trekkers in lange karavanen naar Den Haag te zien rijden, in de vroege ochtend van 1 oktober. Overal legden ze het verkeer plat. De langste file ooit deerde automobilisten niet, die massaal uitstapten om glimlachend te applaudisseren voor de dappere strijders. Warme golven van sympathie spoelden over het land. Lang leve het platteland. Handen af van onze boeren.

Op vrijdag 13 maart 2020 sloot het Guggenheim Museum in New York de deuren vanwege de coronacrisis. Dit icoon van de internationale museumwereld was normaal gesproken goed voor meer dan een miljoen bezoekers per jaar. Treffend genoeg betekende het ook de sluiting van ‘Countryside, a report’. In deze veelbesproken tentoonstelling van Rem Koolhaas en zijn team, richtten zij de lens op de in intellectuele kringen lange tijd onderbelichte buiten-stedelijke gebieden, die 98% van het aardoppervlak uitmaken, maar waar in 2050 slechts een vijfde van de wereldbevolking zal leven, terwijl de rest opeengepakt zit in overvolle steden. Onder de veelzeggende titel ‘Ignored Realm’ schrijven de samenstellers in de inleiding van de begeleidende publicatie: ‘The past two decades – or maybe the entire period since 1991 has been characterized by a complacent expectation that one kind of civilization – metropolitan, capital-oriented, agnostic, western – would remain the template for global development, possibly forever.’

4 juni 2020. Ondanks de coronacrisis brengt de Raad voor Cultuur toch advies uit over de basisinfrastructuur, ‘om houvast te bieden in onzekere tijden en te bewerkstelligen dat de voorgenomen vernieuwing en verbreding doorgaat’. Zoals in eerdere officiële adviezen en ministeriële beleidsvoornemens al was aangekondigd, werd het geld uit de culturele honingpot deze keer anders verdeeld: minder naar de Randstad en meer naar de rest van het land, om daarmee extra impulsen te geven aan de felbegeerde verbreding in steden als Zwolle, Schiedam en Groningen. De regio als nieuwe culturele hotspot?

In de krant lees ik een interview met drie topadviseurs van multinationals. Gevraagd naar de invloed van de pandemie op de gesprekken in bestuurskamers, schetsen ze een eensgezind beeld van de toekomst. Productieketens worden korter en meer lokaal, om de recent aangetoonde kwetsbaarheid door internationale afhankelijkheden terug te brengen: er is behoefte aan ‘schokbestendige aanvoerlijnen’. Bedrijven die nu al inzetten op duurzaamheid hebben straks een voorsprong, juist ook als de economie weer aantrekt. Mensen zullen in de toekomst langer en vaker in hun eigen omgeving blijven, ook degenen die bij multinationals werken. Ze gaan minder reizen maar ondertussen wordt hun wereld wel hyper-digitaal. Ziedaar een blauwdruk voor de eerste post-corona-golf van deglobalisering, nadat we decennialang juist overgeleverd waren aan de grillen van een almaar uitdijende mondiale markt.

Het belang van het lokale, van de regio en de periferie lijkt groter te worden, een ontwikkeling die onder invloed van de coronacrisis in een stroomversnelling raakt. Zoals Rijksbouwmeester Floris Alkemade het eerder verwoordde in zijn essay over de toekomst van Nederland: ‘De relatieve vrijheid, de radicaliteit en moderniteit van de ontwikkelingen op het platteland blijken een belangrijke motor van vernieuwing.’ Misschien wordt onze wereld opnieuw uitgevonden in de buitengebieden, lijkt hij daarmee te willen zeggen. En dat zou best eens kunnen, al was het maar omdat we rurale zones keihard nodig hebben om de grote problemen waar de mensheid momenteel voor staat, aan te kunnen pakken. Denk bijvoorbeeld aan het duurzaam op peil houden van onze voedselproductie, aan het opvangen van zeespiegelstijgingen en aan het vormgeven van volgende energietransities. Floris Alkemade: ‘In het aanpassingsvermogen van buitengebieden en buitenranden liggen de antwoorden, er zal een nieuw zelfbewustzijn van nu nog stelselmatig veronachtzaamde perifere gebieden uit kunnen groeien...’ Er zijn, kortom, veel signalen die wijzen op de herwaardering van het platteland: sociaal, economisch en cultureel.



II.

In 2006 schreef ik een manifest, samen met allerlei collega’s uit het museale veld waarvan er uiteindelijk slechts twee de tekst durfden ondertekenen: het Manifest voor een Mondig Museum. Zoals meestal met manifesten, kwam het voort uit een diepe frustratie over de stand van zaken in de Nederlandse museumsector. Ik licht er twee alinea’s uit, die volgens mij wel duidelijk maken wat er onze ogen toen aan schortte:

Musea zijn van oudsher reservaten; ze manifesteren zich als afgeschermde zones waarin zeldzame soorten worden beschermd tegen de buitenwereld. Deze museale reservaten zijn traditioneel sterk verbonden met de heersende, maatschappelijke elite. Door het emancipatieproces dat in de twintigste eeuw werd ingezet, wordt niet alleen gemorreld aan het elitaire denken in het algemeen, maar ook aan het bijbehorende masculiene egocentrisme en het dominante, westerse etnocentrisme. Dit is een pijnlijk maar noodzakelijk proces, dat allerlei politieke, maatschappelijke en culturele confrontaties oplevert. Voor het mondige, anti-elitaire museum geldt: alleen een fundamentele herijking van de eigen positie in het maatschappelijke krachtenveld kan hen een zinvolle positie bezorgen in de hedendaagse cultuur. In plaats van zich op te stellen als traditionele bolwerken van blanke cultuur, zouden musea met gevoel voor actualiteit ook andersoortige impulsen moeten gaan oppikken. Want in het museale reservaat van de toekomst is ruimte en vrijheid voor iedereen met een nieuwsgierige geest: arm of rijk, man of vrouw, blank of zwart.

en

Het mondige museum voor moderne en hedendaagse kunst is niet langer een ontzagwekkend instituut. Het is geen witte, sacrale ruimte, geen koninkrijk, geen kerk, geen wetenschappelijk instituut en zeker geen school. Het is een levendige, hybride plek, waarin het samenspel tussen verschillende artistieke disciplines een bindende factor vormt, en waar inspirerend teamwork leidt tot avontuurlijke combinaties van verzamelingen, presentaties en gebeurtenissen. Dit type museum fungeert als een venster op een complexe en kleurrijke wereld, waarbij het publiek wordt uitgedaagd om een individuele, reflectieve positie in te nemen. In een geleidelijk, schokkend, confronterend of speels proces van kijken, denken en verwerken, kunnen standpunten worden uitgewisseld en nieuwe meningen worden gevormd. Een dergelijk museum laat een seismografische beweging zien, met stevige wortels in het verleden en haar zoekende tentakels geopend naar de wereld.


Een kosmopolitisch museum voor de mondige burger, dat was toen zo’n beetje ons ideaal. Meer ruimte voor andere stemmen. Meer interactie met bezoekers. Meer oog voor beeldende kunst van buiten het westerse discours. Het leidde enkele jaren later tot de oprichting van Framer Framed, een rondreizend programma onder leiding van Josien Pieterse en Cas Bool, waarvoor wij samen met Nancy Jouwe, Kitty Zijlmans en anderen het initiatief namen. Directe aanleiding hiervoor was de tentoonstelling ‘Beyond the Dutch. Indonesië, Nederland en de beeldende kunsten sinds 1900’, die ik met Enin Supriyanto cureerde voor het Centraal Museum in Utrecht en die ons genadeloos confronteerde met de koloniale blik van collega’s in het museale veld. Tussen 2009 en 2014 organiseerde Framer Framed tientallen publieksprogramma’s in Nederlandse musea en erfgoedinstellingen, boordevol kritische vragen over de rol van culturele instellingen in een globaliserende samenleving, over diversiteitsvraagstukken, gedeelde geschiedenissen en nieuwe manieren van presenteren. In mei 2014 betrokken ze een eigen expositieruimte aan in Amsterdam Noord en tegenwoordig opereren ze vanuit Amsterdam Oost, als onmisbare speler in het landelijke en internationale kunstenveld. Opmerkelijk is overigens wel dat zij, sinds de vestiging in Noord en later Oost, ook projecten gingen ontwikkelen in samenwerking met buurtbewoners, om zo de lokale context direct te verbinden met de internationale programmering.

Door dit manifest, door de tentoonstelling Beyond the Dutch en de oprichting van Framer Framed, werd ik binnen het kunstenveld een tijdje gezien als pleitbezorger van globalisering. Hoewel ik dat zelf niet altijd goed in praktijk kon brengen, zeker toen mijn aanstelling als directeur van Museum De Lakenhal vanaf 2009 heel andere uitdagingen met zich meebracht, volgde ik de ontwikkelingen en debatten op de voet. De Nederlandse museumwereld moest opengebroken worden, de blik over de grenzen van West-Europa en Noord-Amerika gericht. Terwijl we met lede ogen naar de ontwikkelingen in het Stedelijk Museum Amsterdam keken, maakte ik in 2015 samen met Kitty Zijlmans, Manon Braat, Nicole Roepers en Anke Bangma de tentoonstelling ‘Global Imaginations’ in een verlaten meelfabriek van tienduizend vierkante meter in Leiden, waarvoor we twintig kunstenaars uit alle continenten uitnodigden om hun eigen wereldbeeld naar de stad te brengen. Laten we de blik van buiten naar binnen richten, wilden we daarmee zeggen – in plaats van andersom.

Ondertussen had de internationale kunstwereld een grote vlucht genomen; ik ken de officiële cijfers niet, maar het zou me niet verbazen als in de afgelopen tien jaar het aantal biënnales dat wereldwijd werd georganiseerd verdubbeld of misschien zelfs wel verviervoudigd is. In rap tempo ontstond er een nieuwe canon, waarbij sommige kunstenaars uit de ‘Global South’ razend populair werden, ook onder Hollywoodsterren en andere rijke verzamelaars. Hoewel dat in Nederland maar mondjesmaat doordrong, werd de internationale hedendaagse kunst-scene een rondreizend, kosmopolitisch circus met veel toeters en bellen, dat in nauwe verbinding stond met de kunstmarkt. Een circus dat nu in één klap is lamgelegd door de coronacrisis, hetgeen de bekende Amerikaanse kunstcriticus Jerry Saltz de veelgelezen verzuchting ontlokte: ‘But I worry that such a sundering will only exacerbate the inequalities that more and more dominate this universe, with megagalleries and art stars surviving and the gap between them and everyone else only widening. (…) Over the last decade or so, the art world in peril has seemed to lose the ability to adapt. Or, rather, it now seems able to adapt only in one way, no matter the circumstances: by growing larger and busier. Expansion and more were the answers to everything.’ Het is een weinig opwekkende beschrijving van een dominant deel van het beeldende kunstdiscours dat is overgeleverd aan de vrije markt, met de bijbehorende groeiverslavingsverschijnselen.

Ondertussen hadden we in Leiden de ingrijpende restauratie en uitbreiding van Museum De Lakenhal afgerond, en nadat Koning Willem Alexander het vernieuwde museum feestelijk had geopend, kon in november 2019 de langverwachte tentoonstelling ‘Jonge Rembrandt’ van start gaan. Een inhoudelijk sterk opgezette expositie, die veel publiek moest trekken om de astronomisch hoge kosten te kunnen dekken. Wat zal ik erover zeggen? Een week of twee nadat de tentoonstelling was afgelopen, schreef ik wederom de frustratie van mij af: in de NRC van 21 februari werd de tekst gepubliceerd met als titel ‘Stop de blockbusterverslaving’. Het artikel, dat daags erna ook op het internationale forum van MuseumNext verscheen, viel een (voor mij) ongeëvenaard aantal views ten deel en veroorzaakte in het internationale museumveld een stormachtige discussie, zeker toen amper drie weken later wereldwijd allerlei musea hun deuren moesten sluiten vanwege de coronacrisis. Het pleidooi voor meer duurzaamheid en minder tentoonstellingen, en dus voor het vertellen van ‘lokale verhalen met een universele zeggingskracht’ met behulp van eigen collecties, bleek onbedoeld voorspellende waarde te hebben. Onder invloed van de ingrijpende lockdown-maatregelen werd go local in enkele weken tijd het nieuwe adagium. Zo verklaarden de drie directeuren van de Guggenheim-musea in Venetië, Bilbao en New York vorige maand eensgezind in The Art Newspaper dat ze zich nu volop op de Italianen, Basken en Amerikanen uit hun eigen buurt zouden gaan richten.

Het debat over de lokale rol en oriëntatie van musea verleidde Rijksmuseumdirecteur Taco Dibbits ertoe om tegengas te geven: ‘Het is belangrijk de luiken open te zetten, vooral in een tijd dat je beperkt bent in je beweging. Ik had vorige week een videoconferentie met de directeuren van de vijftig grootste musea in de wereld en je merkt hoe belangrijk het is om niet oogkleppen op te doen. Dat leidt tot isolationisme. Je voelt een nieuw regionalisme in de maatschappij. Als musea moeten we daar niet aan bijdragen. De kunst is door de eeuwen heen internationaal geweest. Zonder de kunst in Italië zouden de Nederlandse schilders in de 17e eeuw nooit zo tot bloei hebben kunnen komen.’ Ziedaar het recept voor de beoogde blockbuster ‘Caravaggio-Bernini’, waarmee het Rijksmuseum opnieuw het populaire carillon van een voorspelbaar internationalisme bespeelt zonder écht de luiken open te zetten naar andere verhalen en invloeden. Dibbets heeft zeker wel een punt, maar zijn stellingname is ook kortzichtig: alsof aandacht voor lokale belangen per definitie zou leiden tot behoudzucht en oogklepscenario’s. Waar komt die angst voor regionalisme toch vandaan? Waarom wordt de lokale blik zo gemakkelijk weggezet als conservatief? Ik zou het liever om willen draaien, for the sake of debate: het internationale perspectief wordt ten onrechte gezien als open en progressief.

En zo stelt deze coronatijd ons onverhoopt voor de wezenlijke vraag hoe wij aankijken tegen het lokale en het internationale, hoe we de verhouding zien tussen dominante metropolen en de rest. Het is een interessante gedachtenoefening om in te schatten welke positie de spelers in het lokale, landelijke en mondiale museale veld de komende tijd gaan innemen op de schaal tussen regionalisme en kosmopolitisme. We hebben decennia achter de rug waarin veel grote en kleine musea juist vanuit een relatief gesloten kader opereerden. Zij bleven historische canonieke presentaties uitstrooien over rode lopers die lang geleden door anderen voor hen waren klaargelegd, zich veilig verschansend binnen het vastomlijnde, kunsthistorische discours van de West-Europese en Noord-Amerikaanse perspectief, met als primaire doel om zoveel mogelijk bezoekers te verwelkomen. Gaan zij nu in een andere toonsoort spelen? Ondertussen werd het hyperkosmopolitisme wereldwijd gevierd in tijdelijke hubs die zich met een onwaarschijnlijke snelheid over de aardbol bewogen, voortgestuwd door de internationale kunsthandel, gevolgd door modieuze curatoren en hippe verzamelaars. Wat zal daar straks nog van over zijn?



III.

Het ooit door mij zo vurig gewenste kosmopolitisme, zoals bepleit in het Manifest voor een Mondig Museum - open-minded, meerstemmig en emancipatoir - had door het fraai verpakte traditionalisme van de meeste musea en het marktgerichte gedrag van de internationale kunstelite de loop der jaren een bijsmaak gekregen. Anders gezegd: het was allemaal niet echt gelukt of gebeurd, behalve dan op relatief kleine schaal in specifieke omstandigheden en voor een select aantal mensen, zoals bij Framer Framed. Misschien, realiseerde ik me, is dat ook wel de enige manier: om daar waar je bent gewoon kleine veranderingen door te voeren die ertoe doen, en dat zo lang mogelijk vol te houden, in plaats van onbereikbare idealen na te jagen. Door dergelijke ervaringen en de veranderingen in mijn persoonlijke omstandigheden van de afgelopen jaren ben ik me in toenemende mate gaan interesseren voor de vraag wat ik kan doen in mijn eigen omgeving, daar waar ik nu ben: Leiden en ommelanden. En ja, het moet gezegd: de nieuwe blik die mij daarmee vergund werd op het lokale, het rurale, de periferie, de regio en – natuurlijk, wat anders? – op de natuur, voelt als een grote opluchting. Ik heb een nieuwe ruimte ontdekt.

Laatst las ik in De Groene Amsterdammer een artikel van Karel Smouter, over de vraag wat er zou gebeuren als we de periferie als ‘nieuwe Randstad’ zou positioneren. Hij maakt daarin, met dank aan journalist David Goodhart, een treffend onderscheid tussen overalmensen, voor wie locatie een vloeibaar gegeven is, en ergensmensen, die zich juist geen leven zonder wortels kunnen voorstellen. Hij schrijft ook: ‘Misschien hebben die ergensmensen juist in deze coronatijd wel iets te vertellen aan de overalmensen. Misschien zit er juist iets van waarde besloten in de cultuur van mensen die hun hele leven op één plek doorbrengen en hun leven zo lokaal en kleinschalig mogelijk houden, in plaats van naar een groots en meeslepend leven te streven.’

Dat soort uitspraken zet mij aan het denken. Zelf dacht ik altijd een overalmens te zijn, een nomade die overal kon landen. Die levenshouding was voor mij verbonden met een grote nieuwsgierigheid naar de buitenwereld – hoe verder, hoe onbekender, hoe beter. Maar nu weet ik dat het anders in elkaar zit. Misschien ben ik wel een ergensmens. En die open blik, daar heeft niemand een patent op. Die bestaat overal. Ook in je eigen omgeving, als dat toevallig de periferie of het buitengebied is. Juist. Daar.


Literatuur

Floris Alkemade, De toekomst van Nederland. De kunst van richting te veranderen, Uitgeverij Toth, mei 2020

Wouter van Noort, ‘De coronacrisis: fast forward naar de toekomst’, in: NRC Handelsblad, 30-31 mei 2020

Michiel Kruijt en Rutger Pontzen, ‘Kunstgrepen’ (interview met Taco Dibbits), in: De Volkskrant, vrijdag 22 mei 2020

Jerry Saltz, ‘The Last Days of the Art World … and Perhaps the First Days of a New One Life after the coronavirus will be very different’, in: Vulture, april 2020, link: https://www.vulture.com/_pages/ck8ivxorc0000yeyerntsmxxj.html

Thomas Marks, ‘Uffizi Galleries prepare for life after lockdown’, in: Apollo Magazine, 30 april 2020, link: https://www.apollo-magazine.com/eike-schmidt-interview-reopening-uffizi-florence/

Nancy Kenney, ‘Putting our heads together: the three Guggenheim directors size up post-Covid challenges’, in: The Art Newspaper, 30 mei 2020, link: https://www.theartnewspaper.com/interview/a-little-bit-of-hope-three-guggenheim-directors-weigh-in-on-covid-19-challenges

Karel Smouter, ‘Oost-Nederland, de nieuwe Randstad. Samenleving: Het achterland als voorhoede’, in: De Groene Amsterdammer, 22 april 2020, link: https://www.groene.nl/artikel/oost-nederland-de-nieuwe-randstad?utm_source=De+Groene+Amsterdammer&utm_campaign=ed8e80e499-Wekelijks-2020-04-22&utm_medium=email&utm_term=0_853cea572a-ed8e80e499-74950177

https://framerframed.nl/dossier/manifest-naar-mondig-museum/



Meta Knol is directeur van Museum De Lakenhal in Leiden. Zes jaar geleden betrok ze met haar gezin een boerderij onder de rook van de stad, waar man en zoon inmiddels Lakenvelder runderen houden en zesendertig hectare agrarisch natuurland beheren.

Over de serie Kunst en crisis
De kunsten staan op pauze. Theaters, musea, concertzalen en galeries zijn dicht. Voor een groot deel is de kunst onbereikbaar, die juist nu zo broodnodig is. Stel je alleen maar een thuisquarantaine voor verlopen zonder films, zonder boeken, zonder muziek. De deuren naar de kunst mogen dan gesloten zijn, het denken erover is dat niet. De afgedwongen pauze van deze isolatie kan ook een moment zijn voor een herbezinning over, en vanuit de kunsten. Op deze plek nodigt West de komende weken elke zondag iemand uit om hier hardop over na te denken. Initiatiefnemers zijn Akiem Helmling en Christiaan Weijts.